Kwaadaardigheid van de mond- of keelholte

 

Inleiding

De mond omvat onder meer de lippen, binnenzijde van de wangen, de mondholte met de tong, kaken en het gehemelte. De keelholte vormt de overgang van de mondholte naar de slokdarm en is onder meer betrokken bij het slikken. Hier bevinden zich onder andere de keelamandelen (tonsillen), het zachte gehemelte en de achterkant van de tong.

In Nederland wordt per jaar bij ongeveer duizend mensen een kwaadaardige tumor in de mond- of  keelholte geconstateerd. Deze ziekte treft vooral mensen van middelbare en oudere leeftijd. Tumoren in dit KNO-gebied komen bij mannen vaker voor dan bij vrouwen. In meer dan 90% van de patiënten wordt de tumor veroorzaakt door jaren lang roken vaak in combinatie met (overmatig) alcoholgebruik.

Vrijwel alle tumoren in de mond- of keelholte ontstaan in het slijmvlies. Deze tumoren worden plaveiselcelcarcinomen genoemd. Wanneer de tumor groeit, kan deze ook omliggend weefsel (bijvoorbeeld spier of bot) aantasten. Als de tumor zich verspreidt, gebeurt dat meestal in eerste instantie via de lymfebanen. Uitzaaiingen ontstaan dan ook als eerste in de lymfeklieren van de hals. Soms verspreidt de ziekte zich in een latere fase via het bloed. In dat geval kunnen uitzaaiingen ontstaan in de longen en soms ook in andere organen.

Wat gebeurt er bij verdenking op kwaadaardigheid?

1.      Diagnose definitief vaststellen.

Bij een verdenking op een  kwaadaardige tumor zal er eerst een stukje weefsel van de tumor worden genomen voor verder onderzoek. Dit gebeurt met een kleine naald of een klein paktangetje. De KNO-arts zal u dan na één tot twee weken op de hoogte brengen van de uitslag. Als de diagnose kwaadaardige tumor is gesteld volgt vaak een periode met onzekerheid over de verdere behandeling. Het is namelijk niet altijd mogelijk om direct na de uitslag over mogelijke behandelingen te praten. Dit komt omdat er verschillende behandelingsmogelijkheden zijn waaronder operatie, bestralen, een chemokuur of een combinatie hiervan. De keuze van definitieve behandeling hangt af van veel factoren zoals bijvoorbeeld de grootte van de tumor, de aanwezigheid van uitzaaiingen, de algemene conditie en de mogelijkheid van behoud van functie (praten, slikken). Over het algemeen is er een goede kans dat na de behandeling het tumorweefsel niet meer terugkomt.

2.      Vaststellen van uitgebreidheid en eventuele uitzaaiingen.

Om de tumorgrootte te bepalen en om uitzaaiingen op te sporen is extra onderzoek nodig. Dit  gebeurt bijna altijd in de vorm van een CT- of MRI scan, een echo-onderzoek van de hals en een kijkoperatie (scopie). Tijdens de scopie, die in narcose zal plaatsvinden, onderzoekt de KNO-arts de uitbreiding van de tumor zonder dat de patiënt hier hinder van ondervindt. Tevens onderzoekt hij de slokdarm en de luchtpijp op eventuele afwijkingen.

3.      Overleg met andere specialisten.

Wanneer alle informatie van de verschillende onderzoeken voorhanden is volgt een bespreking in de werkgroep oncologie. Binnen deze werkgroep hebben de KNO-arts, de bestralingsarts en de internist-oncoloog zitting. Minimaal één keer per week heeft de werkgroep overleg met artsen in het Leids Universitair Medische Centrum (LUMC). Tijdens de bespreking wordt besloten welke specifieke behandeling voor de individuele patiënt het beste resultaat zal geven. Hierbij wordt gewerkt volgens de richtlijnen die zijn opgesteld door de NWHHT (Nederlandse Werkgroep Hoofd-Hals Tumoren).

4.      Behandelingsvoorstel.

Na het overleg binnen de werkgroep oncologie wordt het behandelingsvoorstel met de patiënt besproken. Uiteraard heeft de patiënt altijd het laatste woord in de definitieve keus van behandeling.

De operatie

  • De tumor zelf en de lymfklieren.

Wanneer de tumor klein is, kan deze vrij gemakkelijk operatief worden verwijderd. De plaats waar de tumor heeft gezeten groeit in de loop van de tijd vanzelf dicht (bij hele kleine ingrepen) of wordt gehecht. Wanneer er een uitzaaiing in de hals aanwezig is of de kans daarop groot is, worden ook de klieren uit de hals weggenomen. Dit heet een halsklierdissectie. Bij grotere tumoren is het doorsnijden van de onderlip en onderkaak noodzakelijk om de tumor goed te kunnen bereiken.

  • De directe omgeving van de tumor.

Soms worden tijdens de operatie ook enkele tanden of kiezen getrokken indien hun conditie te slecht is om een bestralingsbehandeling te kunnen ondergaan, of als de tumor in de boven- of onderkaak is gegroeid. Aan het eind van de operatie wordt de onderkaak weer hersteld met behulp van een of meerdere metalen plaatjes en wordt de onderlip weer gehecht. Wanneer zo'n grote tumor tezamen met de halsklieren is verwijderd, wordt de ontstane holte opgevuld met weefsel. Dit weefsel kan afkomstig zijn van de borstspier, de arm of het onderbeen. Deze reconstructie wordt samen met de plastisch chirurg uitgevoerd. Een dergelijke ingreep heet een commando-operatie.

  • De eventuele canule.

Wanneer grotere tumorprocessen op deze manier worden verwijderd kan zwelling in de keel ontstaan, wat de normale ademhaling tijdelijk zou bemoeilijken. Om te voorkomen dat de patiënt hierdoor in ademnood zou komen, wordt in de hals een tijdelijk opening in de luchtpijp gemaakt (tracheotomie). In deze opening plaatst de KNO-arts een kunststof pijpje (canule). Dit heeft tot gevolg dat spreken nagenoeg niet mogelijk zal zijn. Nadat de zwelling is verminderd en de ademhaling via de mond weer mogelijk is, zal de KNO-arts de canule weer verwijderen en zal de opening weer dicht groeien. Dit gebeurt meestal binnen een week na de operatie waarna het spreken weer mogelijk is. Het is overigens niet altijd nodig om een canule te plaatsen.

  • De voedingssonde.

Meestal is het eten na een operatie tijdelijk niet mogelijk in verband met de wondgenezing. In die periode verloopt de voeding via een slangetje (sonde) via de neus naar de maag. Door deze sonde wordt speciale vloeibare totaalvoeding gegeven. Indien de wondgenezing het toelaat kan vaak na 1 week weer worden begonnen met gemalen voeding via de mond.

De totale opnameduur is gemiddeld 16 dagen.

De bestraling (radiotherapie)

  • Wat is radiotherapie?

Radiotherapie is de behandeling van een kwaadaardig gezwel door middel van radioactieve straling. De bestraling gebeurt altijd plaatselijk en treft zowel gezonde cellen als kwaadaardige cellen. Kwaadaardige cellen verdragen bestraling echter veel minder goed dan gezonde cellen. De gezonde cellen zullen zich herstellen terwijl de kwaadaardige cellen na een succesvolle bestraling uiteindelijk allemaal doodgaan.

Radiotherapie kan als enige behandeling worden gegeven of als aanvulling op een operatieve verwijdering van een tumor. Voor de manier van bestralen maakt dit geen wezenlijk verschil. De bestraling kan zowel vóór als na de operatie worden gegeven. In beide gevallen is de behandeling gericht op het bereiken van genezing (een curatieve behandeling). Radiotherapie kan ook in combinatie met chemotherapie worden gegeven.

  • Voorafgaand aan de radiotherapie.

Voordat de bestraling begint heeft de patiënt eerst een afspraak met de radiotherapeut (bestralingsarts). Deze zal bepalen hoe vaak de bestraling zal plaatsvinden en met welke intensiteit dit zal gebeuren. Het totaal aantal bestralingen kan variëren van 16-36 keer.
Voordat de bestraling begint moet bij een patiënt die zijn eigen gebit nog heeft, een gebitscontrole gebeuren. Door bestraling kan het gebit namelijk achteruitgaan. Dit komt met name door de negatieve invloed van de straling op de productie en samenstelling van het speeksel. Speeksel heeft een beschermende werking tegen tandbederf, maar deze beschermende werking wordt dus door de bestraling gedeeltelijk teniet gedaan.
De tandarts van het HagaZiekenhuis zal de gebitscontrole uitvoeren. Hij zal bepalen of er behandeling nodig is en zal eventueel een mondhygiënist inschakelen.

  • Bijwerkingen van radiotherapie.

Bijwerkingen van radiotherapie hangen samen met het gebied dat bestraald wordt. Elke patiënt bemerkt echter een aantal algemene reacties die meestal in de loop van de behandeling optreden, zoals vermoeidheid, meer slaapbehoefte en een verminderde eetlust.

Andere bijwerkingen van bestraling kunnen zijn; huidirritatie, haaruitval, slikklachten en heesheid. Het merendeel van de klachten is gelukkig van voorbijgaande aard. Bij bestraling van de mondkeelholte kan ook een droge mond ontstaan. Deze klacht is vaak na het beëindigen van de bestraling nog lange tijd aanwezig. Dit wordt veroorzaakt door blijvende functievermindering van de speekselklieren.

De radiotherapeut zal iedere patiënt voor de behandeling uitvoerig uitleg geven over details van de behandeling en de te verwachten bijwerkingen.