Slechthorendheid

 

Welke klachten kunnen er bestaan?

Slechthorendheid is meer dan het niet meer goed kunnen horen van geluiden. Bij gehoorverliezen kunnen de geluiden ook vervormd worden waargenomen, soms doffer en soms juist erg scherp. Vaak is het oor weliswaar minder gevoelig voor zachte geluiden, maar juist extra gevoelig voor harde geluiden, waardoor deze sneller als pijnlijk ervaren worden.
Slechthorenden hebben vaak meer last van omgevingslawaai dan normaal horenden. Dit treedt al op bij beperkte gehoorverliezen. Feestjes, disco's, gezellige achtergrondmuziek, vergaderingen, door elkaar pratende mensen zijn voorbeelden van moeilijke situaties voor slechthorenden. Bovendien vermindert bij gehoorverlies ook snel het vermogen om richting te bepalen, m.a.w. men weet niet waar geluiden vandaan komen.
Vanzelfsprekend kan gehoorverlies op jonge leeftijd van grote invloed zijn op de taal- en spraakontwikkeling en zodoende op de hele ontwikkeling van het kind.
Een regelmatig voorkomend bijverschijnsel van slechthorendheid is oorsuizen of andere geluiden die daar op lijken zoals brommen, ruisen etc. Een verzamelnaam voor dit verschijnsel is tinnitus. Wanneer de slechthorendheid veroorzaakt wordt door het binnenoor, is er aan deze vorm van tinnitus vrijwel geen therapie doen. Er zijn echter ook andere oorzaken van tinnitus. Zie de pagina oorsuizen.

Welke soorten slechthorendheid zijn er?

Bij afwijkingen in het gehoororgaan kunnen drie verschillende soorten gehoorverlies optreden. 

  1. Bij aandoeningen van de gehoorgang, trommelvlies of het middenoor worden de geluiden niet goed naar het slakkenhuis doorgegeven en wordt gesproken over een geleidingsverlies. Voorbeelden hiervan zijn: een prop in het oor, een gaatje in het trommelvlies of een middenoorontsteking. Bij kinderen is vocht achter het trommelvlies (lijmoortje) een veel voorkomende oorzaak waarvoor soms een trommelvliesbuisje wordt geplaatst. Een minder vaak voorkomende oorzaak van geleidingsverlies is otosclerose.
  2. Bij slechthorendheid ten gevolge van achteruitgang van het het slakkenhuis zelf of de gehoorzenuw wordt gesproken over perceptieverlies. Bij dit type gehoorverlies klinken de geluiden niet alleen zachter maar kunnen ook vervormd worden waardoor ze niet normaal klinken. Harde geluiden kunnen pijnlijk of onaangenaam zijn voor het oor.
    Dit type slechthorendheid vindt men bij het ouder worden en wordt ook presbyacusis genoemd.
  3. Van een gemengd gehoorverlies spreekt men wanneer er zowel een geleidingsverlies als een perceptieverlies is.

Hoe wordt de ernst van het gehoorverlies uitgedrukt?

De intensiteit van geluiden, ook wel "luidheid" genoemd, wordt gemeten in decibels. De ernst van het gehoorverlies wordt daarom ook bepaald in decibel (dB). Een verlies van minder dan 30-35 dB wordt een lichte slechthorendheid genoemd. Van 35 dB tot 60 dB wordt gesproken van matige slechthorendheid, van 60 dB tot 90 dB over ernstige slechthorendheid. Bij een gehoorverlies van meer dan 90 dB wordt meestal gesproken over doofheid.
De volgende getallen geven een indruk over de sterkte van bepaalde geluiden;

  • fluisteren: 30 dB
  • spreken: ± 60 dB
  • schreeuwen: ± 80 dB
  • vrachtwagen: ± 90 dB
  • een boormachine: ± 110 dB.

Om welke toonhoogten gaat het? Naast de soort en de ernst van gehoorverlies wordt ook bepaald voor welke toonhoogten (frequenties) van het geluid er een gehoorverlies aanwezig is. Sommige mensen horen alleen de hoge tonen niet goed, terwijl zij de lage en/of de middentonen nog wel goed kunnen horen. Bij anderen kan er sprake zijn van een lage-tonen gehoorverlies en bij weer anderen een midden-tonen gehoorverlies.
Vaak is er echter sprake van een combinatie hiervan. De ernst en het soort gehoorverlies voor de verschillende toonhoogten wordt bepaald door middel van gehooronderzoek (audiometrie). 

Audiometrie

De meest gebruikte hoortesten zijn toonaudiometrie, spraakaudiometrie, oto-acoustische emissie en hersenstamaudiometrie. Met behulp van deze hoortesten die verricht worden in ons audiologisch centrum, krijgt de KNO-arts een goed beeld van het type gehoorverlies bij u.

Bij toon- en spraakaudiometrie krijgt u een koptelefoon waardoor tonen in verschillende sterkten en frequentie (toonhoogte) worden aangeboden. tijdens spraakaudiometrie moet u proberen de woorden die u hoort na te zeggen. De gehoorscherpte kan met deze twee testen voor ieder oor apart worden bepaald.

Enkele jaren geleden ontdekte men dat het oor zelf ook een geluid produceert. In een gezond oor is dit geluid te meten. Men noemt dit oto-aucoustische emissie. Wanneer de oto-acoustische emissie niet te meten is geeft dit aan dat er iets mis is met het gehoor. Deze test wordt veel gebruikt bij kleine kinderen die nog te jong zijn voor toon-en spraakaudiometrie.

Hersenstamaudiometrie of BAEP (Brainstem Auditory Evoked Potentials)

Bij dit onderzoek wordt met behulp van electroden op het hoofd het gehoor gemeten. Dit onderzoek verricht men zowel bij volwassen als bij kinderen. Enerzijds kan men het type slechthorendheid bepalen en de mate ervan. Anderzijds kan men ook aanwijzingen vinden voor verminderd functioneren van de gehoorzenuw in het traject van slakkenhuis naar de hersenstam.

Voorbereiding BAEP bij kinderen

De reacties van de gehoorzenuwen die bij dit onderzoek gemeten worden zijn heel klein. Ze kunnen alleen gemeten worden als uw kind rustig en ontspannen is. Het onderzoek geeft het beste resultaat als uw kind slaapt. Als uw kind overdag nog slaapt zullen wij proberen het onderzoek rond deze tijd af te spreken. Als hij/zij geen dagslaap meer nodig heeft kan kan tijdens het onderzoek een videofilmpje worden bekeken. Vaak zorgt dit al voor voldoende rust. In een enkel geval kan het nodig zijn om uw kind in het ziekenhuis een slaapmiddel te geven. Heel soms lukt het onderzoek niet zonder een narcose. In dat geval wordt in overleg met de KNO-arts een BAEP-onderzoek in narcose gepland.

U kunt ons helpen om de slaperigheid van uw kind te bevorderen zodat de kans dat het onderzoek slaagt wordt vergroot. Wij verzoeken u daarom om;

  1. Iets mee te nemen waarvan u denkt dat het helpt bij inslapen, (bijvoorbeeld een knuffelbeer, speen of flesje).
  2. Uw kind voor het onderzoek langer dan gewoonlijk wakker te houden.
  3. Voeding mee te brengen en het voedingsschema zo aan te passen dat uw kind tijdens het onderzoek aan een voeding toe is.

Therapie

1. Geleidingsverlies.

Afhankelijk van de oorzaak van het geleidingsverlies zal de KNO-arts in overleg met u tot een advies komen. Voorbeeld: wanneer er sprake is van een middenoorontsteking kan het advies zijn trommelvliesbuisjes te plaatsen. Is de oorzaak gelegen in een trommelvliesperforatie, dan kan een trommelvliessluiting worden overwogen. In geval van otosclerose kan een hoortoestel worden aangepast of kan er gekozen worden voor een operatie waarbij de stijgbeugel wordt vervangen door een prothese. Deze operatie heet stapedotomie.

2. Perceptieverlies.

Een hoortoestel biedt vaak de oplossing. Via ons audiologisch centrum krijgt u een recept mee voor een hoortoestel. Hiermee kunt u naar een winkel gaan waar hoortoestellen worden geleverd door een audicien. Deze maakt een oorstukje op maat, stelt het hoortoestel in en maakt u wegwijs in het gebruik ervan. Na een proefperiode van ongeveer 8 weken komt u terug bij de audioloog in het ziekenhuis om te vertellen of het bevalt of niet. Voorbeeld: ouderdomslechthorendheid (presbyacusis).

Een zeldzame vorm van perceptieverlies is plotsdoofheid. Hierbij valt binnen een zeer kort tijdsbestek het gehoor aan één kant volledig uit. De KNO-arts zal zo snel mogelijk de oorzaak hiervan proberen te achterhalen en indien mogelijk behandelen.

3. Gemengd verlies.

Meestal biedt een hoortoestel de oplossing. Voor een kleine groep patiënten kan een BAHA uitkomst bieden.