Hoe werkt het oor?

 

Het gehoororgaan is nodig voor het waarnemen van geluid. Geluid is een luchttrilling en om deze luchttrilling te kunnen horen zijn twee stappen nodig. De eerste stap is het opvangen van de luchttrilling. Dit vindt plaatst via het geleidingsdeel van het oor. De tweede stap is het omzetten van de luchttrilling in een signaal. Dit vindt plaats in het perceptieve deel van het oor.

Het geleidingsdeel bestaat uit het uitwendige oor (oorschelp en gehoorgang) en het middenoor met de gehoorbeentjes. Het perceptieve deel bestaat uit het slakkenhuis en evenwichtsorgaan (zie figuur).

Het oor heeft een geleidingsdeel en een perceptieve deel

De geluidstrilling wordt opgevangen door de oorschelp en komt via de gehoorgang aan op het trommelvlies. Dit trommelvlies geeft de trilling door aan een keten van gehoorbeentjes. Dit zijn drie zeer kleine, met gewrichtjes aan elkaar verbonden beentjes; hamer, aambeeld en stijgbeugel. Deze gehoorbeentjes bevinden zich in een ruimte achter het trommelvlies, het middenoor.

De geluidstrilling wordt uiteindelijk door het laatste gehoorbeentje, de stijgbeugel doorgegeven aan het eigenlijke gehoorzintuig: het binnenoor of slakkenhuis. Het binnenoor is in feite een transformator. Het zet de trilling om in een elektrisch signaal. Deze signalen die in het slakkenhuis ontstaan, worden via de gehoorzenuw naar de hersenen getransporteerd. Wanneer deze signalen tenslotte aan de buitenkant van de hersenen, de hersenschors, zijn aangekomen, dan worden we het geluid gewaar of anders gezegd: dan horen we het geluid.